The Balkenbrij Experiment

Wat te doen met slachtafval?
Na het maken van een overheerlijke krachtige runderbouillon van botten blijft er altijd een hoop derrie over. De knekelschijven worden vakkundig met de knuisten ontdaan van glibberige rans, resten van aderen, aanhangend vleesch en ongedefinieerde dingetjes. Nadat het kostelijke vlees in stukjes in de bouillon verdronken zijn, de prutjes aan de poezen verkocht zijn, blijft er een glanzende verse berg ransglibber over. Heerlijk om op te slurpen met een korrel (of veel meer) zout en zonde om door het putje te snuiten. Maar wat dan? Je kan niet boterhammen met drab eten, dat is onhandig. Een vastere consistentie maken dus.

Het nobele snot moet gebonden worden, dit kan met gelatine maar dan wordt het een erg verkouden substantie. Beter met bloem dan. De pan gaat op het vuur en de bloem en de runderslakjes gaan erin, worden vermengd met witte en zwarte peper, zout (mmm) en rommelkruid. Rommelkruid is een mix van diverse specerijen als nootmuskaat, foelie, kruidnagel en meer Oud Hollandsche Kruiderijen, het smaakt kruidig en een beetje zoetig. Klassiek gaat dit specerijenmengsel in balkenbrij dus waarom zou ik eigenwijs zijn, dat ben ik nooit, dus nu ook niet. Na enig kook-, roer- en prutswerk is er een dampende salpicon ontstaan. Helaas ontbreekt het vertrouwen dat dit prutje in de koelkast voldoende opstijft om te kunnen snijden. In de oven dus. De terrine wordt bekleed met bakpapier om eventuele schade aan product en vorm te beperken bij het storten, de ragout wordt uit de pan en in de bakvorm geworsteld en gaat op 140 graden een uurtje (afgedekt met bakpapier) zonnen. En het resultaat? Mislukt, de brij is brij gebleven maar heeft een heerlijk zacht bruin korstje gekregen. De smaak is uitstekend, het rommelkruid heeft wonderen verricht.

Voor herhaling vatbaar maar dan wel als vaste substantie. Ik voel een nieuwe queeste aankomen…

Dit bericht is geplaatst in Voedsel. Bookmark de permalink.